| Vroeger kwam je de kwee-appel veel tegen in
de moestuin van een boerderij. Tegenwoordig kom je ze vrij veel tegen in
plantsoenen en langs wegen.
De kwee-appel is een lief klein struikje die
in het voorjaar mooi roze-rood of wit bloeit. Het is familie van onze roos en de
bloem herinnert je daar ook aan. De gele vruchten komen er eind zomer aan
en blijven vaak de hele winter hangen. Ze vormen een mooi contrast met
alle bruintinten die in het najaar en de winter overheersen.
De gele, viltige vruchten lijken wel wat op
kleine appeltjes of peertjes. Daar komt ongetwijfeld ook de naam vandaan.
De vruchten smaken wrang-zuur. Rauw zijn ze niet te eten maar in een jam
of gelei komen ze prima tot hun recht - ze smaakt een beetje
citroenachtig. Er zit erg veel pectine in zodat ze ook in gewone jam de
geleisuiker kunnen vervangen.
|
 |
In vroeger tijden had men op boerderijen
vaak een 'mooie kamer'. Deze was niet voor dagelijks gebruik maar werd
alleen 'opengesteld' op hoogtijdagen of als er hoog bezoek kwam. Er werd
weinig gelucht en er kwam bijna nooit iemand. Het spreekt voor zich dat
deze kamer wat dompig rook. Om wat te doen aan deze lucht werd er een
tinnen schaal op de tafel gezet met daarin een handvol kweeperen. En dat
hielp! Kweeperen ruiken namelijk heerlijk fris zuur en de lucht knapt er
aanmerkelijk van op. Een luchtverfrisser dus, kost niks en is puur natuur.
De kwee had naast een luchtververser
functie ook nog een geneeskrachtige eigenschap. Bij vriesweer kookte men
de pitten van de kweepeer in wat water waardoor er een slijmerige gelei
ontstond die boordevol pectine zat. Dit werd op gesprongen lippen en
handen gedaan ter verlichting van de klachten. Tegenwoordig wordt dit
slijm nog steeds gebruikt in huidcrèmes en lotions. Ook kun je het, samen
met wat rozenwater, toevoegen aan het badwater. Een wattenschijfje met het
slijm voor het naar bed gaan op de ogen stimuleert deze.