| Er is een tijd geweest dat mosterd een
zeldzaamheid was langs onze wegen. De laatste tijd echter zie je ze steeds
meer. Vroeger verbouwden boeren vaak mosterd voor eigen gebruik. Dat deden
ze op kleine stukjes land midden in hun rogge- of tarweveld. Zodra de zaaddoosjes geel waren, werd er
geoogst. Vroeg in de morgen, gewoon met de sikkel. Het geoogste werd
gedroogd en op een doek gedorst (de zaadjes eruit geslagen als het ware).
Daarna moest het zaad nog wat nadrogen en kon het mosterd maken beginnen.
Dat was natuurlijk geen werk voor de boer
zelf, dat deed oma die meestal inwoonde. Het zaad werd in een kom gedaan
met een zware mosterdkogel. Door de schaal heen en weer te wiegen rolde de
kogel over het zaad en plette ze. Het was niet een echt dankbaar werkje
want tijdens het pletten kwamen er stoffen vrij die traanklieren en
slijmvliezen behoorlijk irriteerde.
En de werking is vrij duidelijk. Want wie
kent niet het spreekwoord 'als mosterd na de maaltijd'. Mosterd behoor je
namelijk tijdens de maaltijd te gebruiken. Erna heeft het weinig zin. Het
heeft spijsverteringsbevorderende eigenschappen. Dit komt met name tot z'n
recht als er zwaar getafeld word. Wie kent niet de combinatie rookworst of
spek met mosterd? Het vráágt er bijna om. Mosterd maakt zwaar verteerbare
zaken lichter verteerbaar.
Uitwendig werd mosterd wel gebruikt bij
spier- en gewrichtspijnen en bij bronchitis en angina. Het bevordert de
doorbloeding en werkt sterk verwarmend. Tegenwoordig kennen we
mosterdpleisters en vind je mosterd ook wel terug in reuma zalven.
Je kunt dit natuurlijk zelf ook toepassen.
Verpulver 100 gram mosterdzaad en roer het met wat lauw water tot een
papje. Schep het papje in een katoenen zakje en lig dit gedurende maximaal
10 minuten op de borst of op de pijnlijke plaats. Kinderen maximaal 3 tot
5 minuten.
|