Gesprek met Hans Moolenburgh, arts
Zijn missie: mensen helpen zichzelf beter te maken. Hans
Moolenburgh, arts sinds 1952. Regulier én alternatief onderzoekt hij
op hun verdiensten, maar altijd vaart hij zijn eigen koers. Praktisch
en helder verwoord. Bij zijn vijftigjarig jubileum als arts sprak Tijn
Touber met hem. ‘Ik streef ernaar de omstandigheden zo te maken, dat
de eigen genezing van mijn patiënten op gang komt. Dat vind ik
schitterend!’
Hans Moolenburgh woont al sinds 1952 in hetzelfde huis. Onlangs
kreeg het huis een prijs: voor de mooiste gevel van de stad Haarlem.
Een andere prijs voor dezelfde locatie, die ook onderdak biedt aan de
praktijk van Moolenburgh was niet minder verdiend geweest: voor de
toewijding en het succes waarmee op die plaats al vijftig jaar mensen
worden geholpen om ziekten te overwinnen en gezond te blijven.
De reden voor het succes van Moolenburgh ligt ongetwijfeld in zijn
vermogen om alle gebieden van het leven – het fysieke, geestelijke en
emotionele – met elkaar te verbinden. Zijn eigen leven is daarvan een
voorbeeld. Hij is bloedserieus en bevlogen, maar barst net zo
makkelijk uit in aanstekelijke lachsalvo’s. Hij is vriendelijk en
invoelend, maar ook bereid om vertegenwoordigers van onzinnige
vitaminepreparaten op de pijnbank te leggen. Het is duidelijk, dat hij
is gewend om in het openbaar te spreken. Hij formuleert helder en weet
complexe onderwerpen van ziekte en gezondheid begrijpelijk te maken.
Om te begrijpen vanuit welk perspectief Hans Moolenburgh denkt en
werkt, gaan we eerst terug in de tijd. Moolenburgh: ‘De grondlegger
van de hedendaagse geneeskunde is Louis Pasteur. Zijn redenering was
als volgt: je hebt een bacterie; die veroorzaakt een ziekte; we moeten
iets tegen die bacterie doen. Dat is – in een notendop – de visie van
de moderne geneeskunde. Daarom hebben wij zo gigantisch veel ziekten
en komen er steeds meer bij. Het is nauwelijks bij te houden. Drie van
mijn zonen zijn arts. Soms noemen ze ziekten waarvan ik denk: waar heb
je het over? Voor elke ziekte hebben wij een naam bedacht – meestal
die van de ontdekker – en we proberen voor elke ziekte een
afzonderlijk geneesmiddel te vinden. Hierdoor ontstaat een soort
tunnelvisie. Je ziet alleen de ziekte en het specifieke geneesmiddel.
Alles wat daarbuiten valt, is niet relevant.
Pasteur had een tijdgenoot met een heel andere visie, Claude
Bernard. Bernard is de grondlegger van wat je de "terreingeneeskunde"
zou kunnen noemen. Hij geloofde wel dat bacteriën ziekten veroorzaken,
maar alleen als het "terrein" daarvoor gunstig is. Net als in een
tuin: als er veel kalk in de bodem zit, groeien er madeliefjes. In
vochtige hoeken groeit een vlier of een wilg. De omstandigheden
bepalen de aanwezigheid van organismen, die in die omstandigheden
nuttig werk kunnen doen. Zo kun je bacteriën zien als een soort
vuilnismannen, die een vervuild terrein opruimen. Neem een
longontsteking. Volgens de moderne geneeskunde komt dat door een
pneumokok. De terreingeneeskunde zegt daarentegen: er was sprake van
een verstoring van de werking van de longen en pneumokok is alleen
maar een vuilnisman die dat probleem komt bestrijden. Een mesthoop
brengt nu eenmaal ratten met zich mee. De terreingeneeskunde legt de
nadruk op het schoonmaken van de persoon in kwestie. Wanneer je –
zoals de moderne geneeskunde – slechts de bacterie doodt, zie je de
longontsteking – of een andere aandoening – vaak binnen de kortste
keren terugkeren. Met één belangrijk verschil: de pneumokok is nu
bestand tegen het gebruikte antibioticum. Wat we in feite doen, is een
ziekte wegdrukken, waardoor er weer een nieuwe tevoorschijn komt, die
we vervolgens ook weer wegdrukken. Artsen worden dus opgeleid in wat
ik de medische verschuifkunde noem.
Je kunt dat op het ogenblik mooi zien aan het inentingenbeleid. Er
is altijd een bepaalde hoeveelheid mensen per jaar die
hersenvliesontsteking (meningitis) krijgt. Die ernstige ziekte wordt
onder meer veroorzaakt door de bacteriën hemofilus influenca en door
meningokokken A, B en C. Meningokok C was altijd de kleinste groep,
totdat alle kinderen een aantal jaar geleden werden ingeënt tegen de
hemofilus influenza. Toen die bacterie werd weggedrukt, zagen we
plotseling een toename van hersenvliesontsteking veroorzaakt door de
meningokok C. Nu moeten alle kinderen tegen meningokok C worden
ingeënt. Ik durf te voorspellen, dat we over een jaar of drie een
toename zien van de meningitis B. Dat is medische verschuifkunde!’
Moolenburgh heeft een grote kinderpraktijk en ziet dagelijks de
gevolgen van het huidige inentingenbeleid: ‘Veel kinderen hebben vanaf
de tweede of derde enting chronische klachten, zoals huidirritaties,
hyperactiviteit of hoofdpijn. Kinderen worden bij twee maanden al
ingeënt. Als het kind veertien maanden is, heeft het drie maal DKTP
gehad, drie maal HIB en een maal BMR. Als je bedenkt dat een kind pas
met anderhalf een goed werkend immuunsysteem heeft, enten wij veel te
vroeg – en veel te veel. Bovendien zitten er alle mogelijke andere
stoffen in de ampullen die niet zo lekker zijn, bijvoorbeeld iets wat
op antivries lijkt. Ik heb een hele lijst van alles wat er in zit.’
Moolenburgh werkt met middelen – ontdekt door de homeopathische
arts Tinus Smits – die het schadelijke effect van de entingen
neutraliseren. ‘Na zo’n ontgiftingskuur – die vooral voor DKTP van
belang is – zeggen ouders vaak: "Dokter, ik heb een heel ander kind
gekregen". We moeten goed kijken wat nodig is. Waarom moet je een
jongetje inenten tegen rode hond?’
Moolenburgh valt haast van zijn stoel van het lachen.
‘Zijn we bang dat hij binnenkort zwanger wordt – want dan kun je er
last van krijgen?’
Dan weer serieus: ‘Ik ben vóór polio-enting, dat is een rotziekte. Ik
ben vóór tetanus, als je dat krijgt, ga je dood. Difterie is er niet
meer. De kinkhoestenting vind ik erger dan de kinkhoest. Je moet
zorgen, dat je baby geen kinkhoest krijgt, maar een kind dat
borstvoeding krijgt, zal die ziekte niet snel krijgen. Bof is alleen
gevaarlijk voor jongens in de puberteit, dus moet je dat pas enten als
een jongen dertien jaar is en nog geen bof heeft gehad. De mazelen is
gemener geworden. Als mensen die inenting willen geven, moet dat maar.
Maar als mensen dan alleen een mazelenenting willen, krijgen ze te
horen dat dat niet kan. Het is "economisch onverantwoord". Dat noem ik
veeartsenijkunde. Wij behandelen mensen alsof het een veestapel
betreft.’
Het is opvallend hoe gemakkelijk Moolenburgh zich heen en weer beweegt
tussen verschillende – voor menig arts tegenstrijdige – werelden.
Alternatief, orthodox, homeopathisch, spiritueel, chemisch,
psychologisch, hypermodern en oeroud: hij heeft overal kennis van
genomen en test het simpelweg op zijn verdiensten. Als het werkt,
werkt het en wordt het toegevoegd aan het arsenaal. Om de
terreingeneeskunde te beoefenen, maakt hij gebruik van een oeroud
schema, dat van de vier elementen aarde, water, lucht en vuur. ‘Dat
klinkt misschien wat mystiek, maar dat is het niet. Aarde staat voor
het vaste, water voor het vloeibare, lucht voor het vluchtige en vuur
voor het stralende. Ik kijk bij een patiënt allereerst naar het vaste,
de voeding dus. Over het algemeen is die bar en boos. Om te begrijpen
wat gezond voedsel is, moeten we kijken hoe voedsel ontstaat. Het
eerste voedsel ontstaat uit koolzuurgas, water en zonlicht. Die drie
worden in het groene blad omgezet in suikers. Die suikers worden door
het plantenlichaam vervoerd en vervolgens omgezet in eiwitten, vetten
en vitaminen. Vitaal voedsel is voedsel dat zo dicht mogelijk bij de
originele bron zit. Daarom is het van belang, dat we rauwe delen van
de verse plant binnenkrijgen. Je zou kunnen zeggen, dat daar het
meeste zonlicht in zit.
Tegenwoordig kunnen we dat meten met Kirlian-fotografie. Als je een
vers blad onder de lens legt, dan zie je dat het een enorme
hoeveelheid licht uitstraalt. Na drie dagen doet het dat niet meer.
Bij rauwe melk zie je dat ook. Gepasteuriseerde melk straalt veel
minder. Hoe verder je van de bron af komt, hoe zwakker het voedsel
wordt. Een dier eten, is tweedehands voeding eten. Als het dier geen
planteneter, maar een vleeseter is, is het voedsel al derdehands. Een
varken is bijvoorbeeld een roofdier. Mensen die veel varkensvlees
eten, zitten aan het eind van de voedselketen. In die voeding zit niet
alleen geen kracht, maar bovendien een hele hoop gifstoffen die wij in
ons lichaam opslaan. Dat bleek tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen in
Europa de hongersnood uitbrak. De Denen besloten massaal hun varkens
te slachten en graan te verbouwen. Ze bleven relatief gezond. Zelfs de
Spaanse griep had weinig greep op hen. De Duitsers daarentegen gingen
meer varkens fokken om de troepen te bevoorraden. De Spaanse griep
heeft vreselijk huis gehouden en er ontstond bovendien op grote schaal
kanker.’
Moolenburgh verbaast zich erover hoe weinig belang de gevestigde
geneeskunde nog steeds aan goede voeding hecht: ‘Het allerergste is
junkfood met kunstmatige kleur- en smaakstoffen – waarvan zoveel
kinderen ziek worden – en witte suiker. De Amerikaanse artsen Cleve en
Campbell hebben een groot onderzoek gedaan naar witte suiker. Zij
noemen het ‘pure white and deadly’. Wij kunnen witte suiker niet goed
verwerken, het geeft een schok aan de pancreas en er ontstaan allerlei
ziekten. Wij zijn een gekonfijte maatschappij: de hoeveelheid suiker
die hier wordt gegeten, is verschrikkelijk.
Ik maak me ook grote zorgen over de genetische manipulatie van
voedsel. We hebben daarmee iets losgelaten waarvan het eind nog niet
in zicht is. Ik heb de eerste allergieën al gezien bij een kind dat
regelmatig soja van de supermarkt at. Toen ze overschakelde op soja
van het reformhuis verdwenen de klachten. Maar ze doen ook iets geks.
Soja wordt genetisch gemanipuleerd om het bestand te maken tegen de
steeds grotere hoeveelheden bestrijdingsmiddelen. Wat ze erin hebben
gebouwd, is een gen van het agrobacterium tumofaciens – een parasiet
die bij planten kanker veroorzaakt – en een gen uit het
bloemkoolmozaiekvirus, dat lijkt op het menselijk hepatitis B-virus.
Dan denk ik bij mezelf: ben je dan nooit eens bang voor wat je doet?
Maar ja, het gaat om groot geld. Een plant kun je niet patenteren. Als
je hem genetisch manipuleert, kan dat wel.’
Na de voedingspatronen van zijn patiënten te hebben onderzocht, kijkt
Moolenburgh naar de vochthuishouding. Volgens hem is de kwaliteit van
het Nederlandse drinkwater niet best. ‘Daar kwam ik voor het eerst
achter, toen ik bij een patiënt op bezoek ging die bij de waterleiding
werkt. Ik zag een aantal flessen Spa blauw staan. Hij dronk geen
kraanwater omdat hij – zoals hij het zelf zei – "het zelf maakt en
weet wat er in zit". Ik ben het water gaan meten en geef hem gelijk.
Niets ten nadele van de waterleiding. Ze doen hun uiterste best, maar
het is ondoenlijk om alle rotzooi die wij in het water lozen eruit te
halen. Af en toe zit de Rijn vol radioactiviteit of andere gifstoffen.
Ik raad mensen dus aan schoon water te drinken. Spa blauw is
uitstekend. Voldoende water is essentieel. Ten eerste omdat het ons
lichaam schoonspoelt. Vandaar dat er zo min mogelijk mineralen en
dergelijke in dat water moet zitten. Ten tweede geeft water direct
energie. Ons lichaam is een soort hydro-elektrische centrale. Wanneer
water goed stroomt, krijg je energie. Sommige mensen denken dat ze
veel drinken als ze liters thee of koffie drinken. Maar dat is niet
hetzelfde als water. Om nog maar te zwijgen over cola. Mensen die veel
van dat soort producten drinken, zijn innerlijk verdroogd. Die kun je
alleen beter maken door ze zes tot acht glazen Spa blauw per dag te
laten drinken. Ik heb een heleboel patiënten hierdoor zien opknappen.
Dan de lucht. Er is nu eenmaal veel luchtverontreiniging. Daaraan
kan je niet zoveel doen. Maar het probleem wordt onnodig groter
doordat mensen slecht ademen. Ik stuur patiënten vaak naar een
fysiotherapeut of yogaleraar om goed te leren ademen. Dan krijgen ze
meer energie. Op die manier heb ik ook veel mensen kunnen genezen.
En ten slotte het vuur, de straling. Elektromagnetische vervuiling
is een zwaar onderschat onderwerp. Ik krijg hier mensen die een
gigantische elektrische overlast hebben. Dat is erg gevaarlijk. Onze
celmembranen hebben namelijk een bepaalde lading, die tegenovergesteld
is aan de lading van het protoplasma van de cel. Als dat evenwicht
wordt verstoord, worden de cellen als het ware ontladen. Ze worden
poreuzer, waardoor allerlei schadelijke stoffen kunnen binnenkomen. Op
die manier kan elektromagnetische vervuiling mensen ziek maken.’
Moolenburgh kreeg twee jaar geleden een meisje van acht op zijn
spreekuur. Ze was al een half jaar vreselijk moe. Hij deed alle
mogelijke allergietesten, maar het kind reageerde niet. Na een half
jaar zei hij tegen de moeder: ‘Meestal lukt het me wel, 85 procent van
de kinderen die ik zie, wordt beter. Is er in het afgelopen jaar
misschien iets gebeurd dat ik nog niet weet?’ De moeder kon zich niets
herinneren, het meisje echter wél. Er bleek een GSM-zender op het dak
van de school te zijn gebouwd. ‘Die stoorde onze walkmans,’ vertelde
het meisje. De ouders stuurden het kind naar een andere school. Binnen
veertien dagen was ze beter.
Het effect van elektromagnetische straling blijkt nog een
onderschat onderwerp. ‘Er is een flink aantal boeken over
elektromagnetische vervuiling geschreven, maar het is nog niet tot de
universiteit doorgedrongen,’ zegt Moolenburgh en hij wijst in het
bijzonder op het gevaar van de magnetron die in vele huishoudens
dagelijks wordt gebruikt: ‘De magnetron doodt alle enzymen en
verandert de goede vetten in slechte vetten. Ik heb zelf vastgesteld
dat de magnetron enorm veel energie aan mensen ontneemt. Bovendien
produceert het ding veel deeltjes, die je ook bij radioactieve
vervuiling ziet. Zoals een goede vriend en collega in de Verenigde
Staten zegt: "Er is maar een plaats voor de magnetron: de
schroothoop!"’
Nadat Moolenburgh met zijn patiënten langs de gebieden van aarde,
water, lucht en vuur is geweest en zoveel mogelijk heeft
schoongemaakt, kijkt hij naar de rest en werkt dan zo nodig via
orthodoxe methoden. Keer op keer ziet hij echter, dat mensen hun
leefpatronen maar heel moeilijk veranderen. ‘Ik denk dat het een vorm
van luiheid is. Als je naar de dokter gaat, verwacht je een pil.
Klaar. Als ik tegen iemand zeg: "U hebt al drie jaar hoofdpijn, u eet
te veel drop en u drinkt niet. U moet elke dag acht glazen water
drinken en geen dropjes meer eten", dan vraag ik inzet van die
patiënt. De meeste mensen zijn daartoe niet bereid. Net als instant
voedsel, willen ze instant genezing. Als er dan een andere klacht
bovenop de hoofdpijn komt, wordt het verband ook niet meer gezien. Het
ligt dus niet alleen aan de artsen. Artsen reageren ook op hun
patiënten. Als iemand instant genezing wil, denkt de arts ook: "OK,
dan krijg je dat". Artsen hebben het bovendien erg druk. Nog iets:
door onze opleiding worden wij opgevoed om buitengewoon gehoorzaam te
zijn. Op het moment dat je uit de pas loopt, krijg je een hoop
gelazer.’
En daar kan Moolenburgh over meepraten. Hij liep regelmatig uit de
pas en had regelmatig gelazer. De strijdbare arts heeft zich zijn
leven lang verzet tegen wat hij ‘intellectuele onderdrukking’ noemt.
Niet voor niets werd zijn motto: ‘Geloof nooit iets totdat het
officieel wordt ontkend’. Zijn bekendste strijd begon in 1968 toen de
regering besloot fluor aan het drinkwater toe te voegen. Moolenburgh
klom in de pen en schreef een stukje in de krant, waarin hij zich
verzette tegen het verspreiden van een geneesmiddel via het
drinkwater. Hij waarschuwde bovendien voor de toename van kanker. Die
woorden bleken profetisch. Naderhand hebben de Amerikaanse chemici
Dean Burk en John Yiamouyiannis in de Verenigde Staten onderzoek
gedaan onder twee maal tien miljoen mensen van verschillende steden.
Het bleek dat gefluorideerd water de kankersterfte binnen vijf jaar
met tien procent doet toenemen. Moolenburgh werd na zijn stukje in de
krant op het matje geroepen en moest zich melden bij de inspecteur van
de volksgezondheid. Daar speelde zich de volgende dialoog af:
De inspecteur: ‘U maakt de bevolking onrustig’.
Moolenburgh: ‘Maar dat is mijn bedoeling!’
‘Ja maar dat mag u niet.’
‘Waarom niet?’
‘Ik moet u dat verbieden.’
‘Van wie moet u dat?’
Het bleek dat de inspecteur een telefoontje van het ministerie had
gekregen. Moolenburgh moest worden berispt, omdat hij het vertrouwen
in de medische stand zou ondermijnen. Moolenburgh was de man echter te
slim af: ‘Ik heb niet als arts geschreven, maar als burger.’ Overigens
hebben we het voor een groot deel aan Moolenburgh en zijn boek over
het gevaar van fluor te danken, dat het toevoegen van fluor aan
drinkwater in 1976 officieel werd verboden.
Moolenburgh schreef een boek over ‘uit de pas lopende artsen’: De
wetenschap kent geen tranen. ‘Ik heb een groot aantal processen gezien
tegen collegae die werden aangevallen door de officiële geneeskunde,
omdat zij kanker niet volgens de richtlijnen hadden behandeld. Het
meest absurde voorbeeld was een arts die een kind had genezen, maar
werd vervolgd omdat hij het niet met chemotherapie had gedaan. Het
probleem ligt echter niet alleen bij de overheid. Er is sprake van een
onheilige drie-eenheid: staat, wetenschap, commercie. Het werkt zo: de
commercie heeft een nieuw middel gemaakt en laat dat – tegen betaling
van een behoorlijk bedrag – onderzoeken door een wetenschapper die
liefst verbonden is aan een universiteit.
Tegelijkertijd wordt een verzoek ingediend bij de staatscommissie
voor de verpakte geneesmiddelen. Als de universiteit het groene licht
geeft, dan laten de leden van de staatscommissie het toe op de markt.
Deze procedures kosten veel geld en zijn meestal alleen haalbaar voor
de farmaceutische multinationals. Een recentelijk gevormd kartel van
de zeven grootste farmaceutische giganten onderstreept de werking van
deze drie-eenheid. Tezamen zagen deze farmaceuten kans de Europese
wetgeving zodanig aangepast te krijgen, dat een groot deel van de
orthomoleculaire middelen en vitaminepreparaten wordt verboden. Dat is
een ramp! Ik heb vandaag nog een kwade brief aan de minister
geschreven. Er zijn zoveel middelen die het erg goed deden. Het
argument is steeds: "Je kunt niet bewijzen dat het helpt". Dat is
logisch, want om dat te bewijzen, moet je voor elk middel minimaal een
paar duizend euro betalen om het onderzoek te financieren. Kleine
bedrijven hebben het geld niet daarvoor. De grote farmaceutische
ondernemingen kregen wel steeds meer last van die kleine bedrijven.
Steeds meer mensen kopen namelijk liever natuurlijke vitaminen-,
enzym- en mineraalpreparaten, dan al die chemische middelen. Het lijkt
waarschijnlijk, dat de giganten de concurrentie van de vele
natuurlijke en veilige middelen die het publiek niet in de apotheek
van hen koopt, weg willen hebben. Vroeger werden de individuele, uit
de pas lopende artsen aangepakt. Nu gebeurt het slimmer; ze pakken ons
de middelen af!’
De gevolgen van de ‘onheilige’ drie-eenheid van staat, wetenschap en
commercie, ziet Moolenburgh ook in de bestrijding van aids: ‘Het is
bekend dat het hiv-verhaal bepaald niet sluitend is. In Afrika werden
een aantal ziekten vroeger gewoon bij de naam genoemd: tuberculose,
malaria, et cetera. Tegenwoordig noemen ze dat "indicatorziekten voor
aids". Met andere woorden: als iemand zo’n ziekte heeft, dan wordt hij
op het aidslijstje bijgeschreven. Logisch dat de aids in Afrika zo’n
explosieve groei doormaakt. En die ongelukkige president van
Zuid-Afrika maar zeggen: "Waar zijn dan al die miljoenen doden? Ik zie
ze niet!" Hij heeft nog gelijk ook. Als je je indicatie verandert
wanneer het je zo uitkomt, is het hek van de dam. Maar dat gebeurt
veel meer dan we weten en dat is heel erg naar, want het is corruptie
van de wetenschap.’
De gangbare aidsbestrijding verloopt ook volgens de Pasteuriaanse
traditie: liever een vijand buiten jezelf bestrijden dan
verantwoordelijkheid nemen voor je eigen immuunsysteem. En dat is een
systeem dat met de dag onder grotere druk komt te staan. Het chronisch
vermoeidheidssyndroom (ME) – volgens Moolenburgh een iets minder
kwaadaardig nichtje van aids – is daar een duidelijk voorbeeld van.
‘Het is een verschrikkelijke immuniteitsziekte. Ik zie kinderen vanaf
twaalf jaar, die in hun stoel hangen en niets meer kunnen. Het
immuunsysteem doet het gewoon niet meer. Ze hebben bijna allemaal de
ziekte van Pfeiffer doorgemaakt, bijna allemaal ook andere
virusziekten – herpes en dergelijke – en hebben gewrichtsklachten.
Vrijwel alles wat je bij die kinderen bekijkt, is negatief. Ik stuur
hun bloed op naar een laboratorium in Nieuw-Zeeland. Wat je steeds
ziet, is dat de rode bloedlichaampjes star zijn en niet meer door de
capillairen kunnen. De patiënten gedragen zich alsof ze een enorm
zware bloedarmoede hebben. Het heeft ook alles met het milieu te
maken. We hebben zeventigduizend nieuwe chemische stoffen in ons
milieu losgelaten waarvan we nog lang niet allemaal weten welke
invloed ze op ons hebben.’
Wat we wél weten, is dat een groot aantal ziekten de laatste
tachtig jaar enorm zijn toegenomen. Moolenburgh beent energiek naar
zijn uitgebreide boekenkast en vindt een aantekenblok met de laatste
cijfers: ‘De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft berekend, dat
hart- en vaatziekten thans veertien maal meer voorkomen dan in 1920,
reumatische ziekten zeventien maal, kanker twintig maal, vetzucht
vijfendertig maal en allergieën zeventig maal. Dan roepen mensen: "Ja
maar we worden ouder. Vroeger werd de mens gemiddeld niet ouder dan
vijfenveertig, nu gemiddeld tachtig. Logisch dat we meer kanker
krijgen". Maar dat is een verkeerde statistiek. Waardoor is de
bevolking ouder geworden? Doordat de kindersterfte is verdwenen.
Vroeger gingen al die kinderen dood aan longontsteking, dus dat drukte
de statistiek enorm. Als je tegenwoordig twintig bent, heb je dezelfde
kans om tachtig te worden als de mens van honderd jaar geleden. Alleen
vroeger werden veel minder mensen twintig.’
Toen Moolenburgh in 1952 met zijn huisartsenpraktijk begon, was een
vrouw met borstkanker eigenlijk altijd ouder dan vijftig. Bovendien
waren het er niet zoveel. Thans krijgt een op de acht vrouwen in
Nederland borstkanker. ‘Ik zie ze vanaf achter in de twintig jaar. En
daarom geloof ik, dat wij onze medische instelling een beetje moeten
veranderen. Kanker bestrijden, doe je het best preventief. In schone
lichamen krijgen tumoren niet zoveel kans. Die tumoren groeien niet
voor niets.’
Ik zou nog uren naar hem willen luisteren. Het is duidelijk dat deze
man niet alleen kan putten uit een rijk leven, maar zich bovendien
bezighoudt met zaken die ons allemaal aangaan. Zaken van leven en
dood. Hij kan ook goed vertellen, gebruikt daarvoor zijn handen,
wenkbrauwen en hele lijf. Hans Moolenburgh is een man met een missie:
‘Op mijn zesde wist ik dat ik arts wilde worden. De zin van mijn leven
is dat ik mensen mag helpen genezen. Ik doe dat door de omstandigheden
zo te maken, dat hun eigen genezing op gang komt. En dat vind ik
schitterend!’
Op zijn zevenenzeventigste is dat vuur nog lang niet gedoofd. En in
al die jaren leerde Hans Moolenburgh ook over de soms ongrijpbare,
maar altijd aanwezige verbanden tussen geestelijke beleving en fysieke
gesteldheid. Het is kenmerkend voor de brede visie van deze arts, dat
hij dat kwetsbare thema niet uit de weg gaat. Moolenburgh: ‘Jaren
geleden kwam er een vrouw bij me met borstkanker, uitgezaaid in de
longen. Ik behandelde haar. Ze bleef negen jaar goed. Toen kreeg ze
een opvlammer, omdat ze door omstandigheden erg moe was geworden. Ik
heb haar toen weer wat strenger behandeld en vervolgens ging het weer
zes jaar goed. Toen kreeg ze een gigantisch ongeluk. Haar hele been
lag in stukken. Ik dacht: "Nu gaat het mis, dit is een te grote
aanslag op het immuunsysteem." Ze werd vijf keer geopereerd, maar er
gebeurde niks, de kanker kwam niet terug. Anderhalf jaar later brak de
kanker plotseling weer uit. Ik zei: "Mevrouw ik snap niets van u, wat
is er gebeurd?" Ze zei: "Het is niet aardig om te zeggen, maar mijn
man is met pensioen". Die vrouw werd stapelgek, ze had geen ruimte
meer. Op dat moment werd de kanker, die latent was, weer actief. Ik
heb haar aanbevolen een kamer voor zichzelf vrij te maken en iedere
dag twee uur alleen op die kamer te zijn. Ze heeft nog jaren geleefd.
Als je mensen emotioneel niet goed begeleidt en je er niet achter komt
wat er aan de hand is, dan helpen je leuke alternatieve kankermiddelen
ook niet.’
Moolenburgh hamert er overigens op dat zulke emotionele factoren
niet bij alle kankerpatiënten rol spelen. Hij bespeurt in het algemeen
wel een toenemend gebrek aan zingeving dat een negatief effect op de
gezondheid van steeds meer mensen heeft. Een doel om voor te leven,
stimuleert genezing van een patiënt op frappante wijze, ontdekte
Moolenburg herhaaldelijk. Zo kwam er eens een vrouw hinkend zijn
praktijk binnen. De foto liet een vuistgroot kankergezwel in het bot
van haar bekken zien, uitzaaiing van een borstkanker die ze enige
jaren tevoren had doorstaan. De toen nog jonge arts raadde haar
ogenblikkelijke bestraling aan. Ze weigerde. Ze was lerares Frans, het
was april en ze moest haar klas klaar maken voor het eindexamen. Ze
had, kortom, geen tijd en zou wel een aspirientje nemen als de pijn te
erg werd. Moolenburgh wist zich geen raad. Moest hij haar bellen en
dwingen zich te laten behandelen?
Een half jaar later belde ze zelf. Ze had een zware verkoudheid, die
maar niet overging. Ze repte echter met geen woord over de heup.
Moolenburgh: ‘Maar hoe is het met uw heup?’ De vrouw: ‘Oh, dat is
over’. Moolenburgh stond erop een foto te laten maken. En inderdaad:
er was niets meer te zien. De reactie van de vrouw: ‘Ik zei toch dat
ik er geen tijd voor had!’
Moolenburgh: ‘Het is een van de grote narigheden van deze tijd, dat
een heleboel mensen er maar een beetje op los leven en niet meer het
gevoel hebben dat het leven zin heeft of dat er een bedoeling achter
zit. Ik heb het er nog niet eens over of er een God is of niet, maar
gewoon een gevoel van: het is fijn dat ik er ben, ik ben goed bezig,
ik begrijp dat ik er ben, ik heb een taak in het leven. Ik zie veel
jongelui die wanhopig zijn en zeggen: "Is dit nu alles?" Als je geen
zinvol leven hebt, dan staat je wil om te leven op een laag niveau en
die is uitermate belangrijk voor het afweren van ziekten. Het
zinverlies in deze tijd is een volkskwaal.’
Tekst: Tijn Touber