De natuurgeneeskunde is een geneeswijze
die haar wortels heeft in de volksgeneeskunde en bestaat al zolang als
de mensheid.
De eerste aanwijzingen van de Griekse
geneeskunde vinden we bij Homerus. Hij beschreef de behandeling van
talrijke oorlogsverwondingen ten tijde van de Myceense beschaving
(1600-1150 v.Chr.) Artsen waren er met name om pijlen uit te snijden
en kruiden op wonden te leggen.
De vroeg Griekse geneeskunst werd
uitgeoefend in tempels gewijd aan Asclepios, God der geneeskunde. Rondom
de Asclepios-tempels ontstonden allerlei gebouwen voor de zieken
verzorging, zoals badhuizen, massage-inrichtingen, apotheken, maar ook
theaters en geneeskundige scholen. De geneeskunde werd uitsluitend door
priesters uitgeoefend. De zieken konden overnachten in de tempels. De
beelden uit hun dromen of hypnose werden uitgelegd door de priesters. De
priesters deden naast droomuitleg ook aan handoplegging, gebedsgenezing
en schreven geneeskrachtige kruiden, massage en badtherapie voor.
In de loop van enkele honderden jaren
vanaf 500 voor Christus, heeft zich onder invloed van verschillende
natuurfilosofen, een revolutionaire leer van ziekte en gezondheid
ontwikkeld. De klinisch-wetenschappelijke aanpak en de
humoraalpathologie hebben het medisch denken ruim 2000 jaar beheerst.
Enkele belangrijke Griekse natuurfilosofen die zich ook met de
geneeskunde bezighielden waren: Thales van Milete, Pythagoras van Samos,
Socrates, Plato en Aristoteles.
De beroemdste priester-geneesheer uit de
geschiedenis is wel Hippocrates, hij leefde van 460-377 v.Chr. Hij
bevrijdde de geneeskunde van irrationaliteit, mystiek en bijgeloof en
benadrukte de eigen waarneming en ervaring. Ondanks de wetenschappelijke
belangstelling stond het behandelen van zieken bij Hippocrates centraal.
Leven en genezen in harmonie met, en liefde voor de natuur en de
humorale pathologie werden zijn voornaamste uitgangspunten.
Alexander de Grote stichtte in 331 v.Christus
Alexandrie waar in 286 v.Chr. de beroemdste bibliotheek van de
geschiedenis de deuren opende. In het Mouseion waren meer dan 800.000
boekrollen onder gebracht. Het was een soort academie van wetenschappen.
Omstreeks 47 v.Chr. gingen de beroemde bibliotheken voor het grootste
gedeelte verloren door oorlogshandelingen en godsdiensttwisten.
De enige grote geneesheer in de
geschiedenis van het Romeinse rijk was de Griekse arts Galenos (130-200
na Chr.). Hij verzamelde en beschreef al datgene wat er in zijn tijd op
het gebied van de geneeskunde bekend was, zo ook een compendium met 540
plantaardige, 180 dierlijke en 100 niet biologische middelen.
Toen Galenos stierf was het Romeinse rijk
over haar hoogtepunt heen en deed de christelijke godsdienst haar
intrede, zij had weinig eerbied voor de oude wetenschappen en de
klassieke filosofie. Dit had drastische gevolgen voor de geneeskunde.
Beschouwden de Grieken een ongeneeslijke zieke als iemand die men maar
aan zichzelf moet overlaten, het christelijk geloof leerde dat Jezus
juist de door ziekte bedreigde mens het heil belooft. Ziekte werd
aanvankelijk als een lot en later zelfs als een deugd beschouwd. Het
lijden werd gewaardeerd als een bestemming van God. Vanaf 391 na Chr.
werd het christendom staatsgodsdienst. Dit betekende dat al het andere
als heidens werd bestempeld en dus verboden. De kunsten en wetenschappen
van de antieke wereld gingen verloren. In de geneeskunde was men er
vooral op uit de ziel te redden, en niet om ook de ziekte door medisch
ingrijpen te genezen. Dit betekende de opkomst van de ziekenzorg ten
koste van de overgeleverde geneeskunde.
In het algemeen was het begin van de
Middeleeuwen een periode van geleidelijke neergang. Wat er van de
klassieke wetenschap over was gebleven concentreerde zich in kloosters.
Hildegard von Bingen, Albertus Magnus en Hieronymus Bock zijn enkele van
de velen die een belangrijk aandeel hadden in het vergaren en
beschrijven van de kruidenkennis.
Rond 1200 kwam West-Europa tot nieuwe
economische en culturele bloei. Het kwam tot de stichting van de
universiteiten van Salerno en Parijs. De leerstof voor de geneeskunde
bestond uit teksten van de grote artsen uit de klassieke oudheid, vooral
Hippocrates en Galenus. De praktische chirurgie die door barbiers
(kappers) werd uitgeoefend, werd niet aan de universiteiten gedoceerd.
De barbier-chirurgijn behandelde wonden en fracturen en deed
chirurgische ingrepen, hij was net als alle andere handwerkslieden lid
van het gilde.
Theophrastus Bombastus von Hohenheim,
kortweg Paracelsus (1493-1541) onderscheidde bij de mens vijf
beginselen, toestanden van 'zijn': Het fysieke lichaam, de zichtbare
vorm; Het etherische lichaam, dat het klierstelsel beheerst; Het astrale
lichaam met als werkingsveld het zenuwstelsel ; Het 'ik' dat zich
uitdrukt in het circulatiesysteem; Het ware zelf in de mens, het
oer-eigene van de mens. Hij was ook degene die ontdekte dat reuma en
nier en galstenen stofwisselingsziekten waren en dat
arsenicumvergiftigingen genazen door een kleine dosis arsenicum.
De middeleeuwse mens leefde in een sterk
besef van de vergankelijkheid van het leven. Vooral de pestepidemieën
hadden enorme gevolgen. Zij gaven aanleiding tot grote jodenvervolgingen
(zij zouden de drinkwaterbronnen vergiftigd hebben). De artsen waren
vrijwel machteloos, net als trouwens bij vele andere ziekten. De
natuurgeneeskunst bloeide en genoot grote erkenning zeker bij de lagere
standen. Zij werd vaak door wijze- of vroedvrouwen uitgeoefend. Zeker
een kwart tot een derde van de bevolking stierf aan het einde van de 14e
eeuw aan de pest, wat de maatschappij danig ontwrichtte en het
christelijk geloof erg aantastte.
Om haar macht te handhaven probeerde de
christelijke kerk het volk een streng zedelijke moraal voor te houden.
Dit betekende een rechtstreekse aanval op de
vrouwen en al hun bezigheden. Zij kregen de schuld van alle onheil omdat
zij tot magische handelingen en hekserij in staat zouden zijn. zij
werden geweerd uit alle beroepen. Het feit dat men zonder hulp van het
geloof zou kunnen genezen, verminderde de machtspositie van de kerk.
Vrouwen die zich juist bezighielden met genezen, werd verweten dat zij
ziekte en verderf zouden brengen. Zo ontstonden de heksenjachten.
De 18e eeuw kenmerkt zich op medisch
gebied door het verschijnen van nieuwe theoretische stelsels. Sommige
trachtten de fysiologie vooral te verklaren met behulp van fysische
denkmodellen, andere zochten verklaringen bij de chemie, weer andere
zochten het in de levenskracht. De afstand tussen de mechanische
geneeskunde en chirurgie enerzijds en de natuurgeneeskunde anderzijds
werd steeds groter. Als reactie gingen enkelen weer op zoek naar de oude
eenvoudige, natuurlijke geneeswijzen. Culpeper was de voorloper van deze
heropleving.
In Duitsland kreeg de natuurgeneeskunde
als zelfstandige therapie een vaste voet aan de grond. Bekende namen in
de hydrotherapie zijn bijvoorbeeld Siegmund Hahn, Preissnitz, Schroth en Kneipp.
Hahnemann was de grondlegger van de homeopathie.
Geleidelijk aan waren er tientallen
soorten geneeskundigen praktisch werkzaam. Er waren universitair
opgeleide doctores en geneeskundigen die gestudeerd hadden aan de
zogenaamde
klinische scholen (opgericht om in het gebrek aan chirurgijns te
voorzien). Er waren dentisten, oculisten, apothekers, vroedkundigen,
horoscooptrekkers, steensnijders, piskijkers, barbiers, beenzetters en
vele anderen. Als gevolg van verschillen in studie en opleiding en de
grote verscheidenheid in examens, bestond de medische stand uit zeer
veel soorten beroepsbeoefenaars met veelal beperkte bevoegdheden.
Thorbecke maakte in 1865 een eind aan deze chaos, door het uitoefenen
van de geneeskunde alleen toe te staan aan hen die de voorgeschreven
opleiding hadden gevolgd.
Vanaf de 19e eeuw zien we dus een
dominerende officiële geneeskunde met een fragmentarisch mensbeeld, een
symptomatische behandeling en lokale en orgaantherapie tegenover een
natuurgeneeskunde die als inferieur beschouwd wordt. De behoefte aan
traditionele behandelingsmethoden wordt door de beperkte wettelijke
maatregelen en de overdonderende successen met betrekking tot de infectieziekten van de
universitaire geneeskunde in de kiem gesmoord.
Een van de opvallende figuren van de
natuurgeneeskunde in deze tijd was David Palmer. Hij herontdekte de
chiropractie, de door Hippocrates al beschreven leer dat door kleine
verschuivingen van de wervels eventueel zenuwkneuzingen opgeheven konden
worden.
De iriscopie was reeds bekend in het oude
Mesopotamie en ook chinezen, japanners en Hippocrates werkten ermee. Zij
krijgt in 1881 een nieuwe impuls door een boek over de topografie en de
betekenis van de iris geschreven door de Hongaarse arts Ignaz von
Peczely. Beroemd is het proces tegen de Duitse pastoor Felke, zijn
irisdiagnose bleek in 18 van de 20 gevallen juist.
Men zou verwachten dat door de snelle
ontwikkeling van de officiële geneeskunde de natuur en volksgeneeskunde
zou verdwijnen. Het tegendeel is waar. Ze is ook in de twintigste eeuw
onmiskenbaar aanwezig en neemt als zodanig een belangrijke plaats in
binnen de gezondheidszorg.