Zo zit dat..
~
 
 
Bloed
In grote lijnen kunnen we zeggen dat de rode bloedcellen zorgen voor het zuurstof en kooldioxide transport, de witte bloedcellen zorgen voor de verdediging van het lichaam en de bloedplaatjes zorgen voor de bloedstolling. De verschillende bloedcellen zijn hieronder schematisch weergegeven:

 

Rode bloedcellen (erytrocyten)
     
       
 
Granulocyten
   
     
Killer T cellen
      T geheugencellen
Witte bloedcellen (leukocyten)
    T helpercellen
   
T
T supressorcellen
 
Lymfocyten
   
   
B
plasmacellen
     
B geheugencelen
 
Monocyten
   
       
Bloedplaatjes (trombocyten)
     

 

De granulocyten zijn gespecialiseerd in het onschadelijk maken (het fagocyteren) van bacteriën. De onschadelijk gemaakte bacteriën worden uit het lichaam verwijdert d.m.v. pus en etter.

De lymfocyten helpen de granulocyten en de monocyten bij hun werk en produceren daarnaast ook nog anti-lichamen om de immuniteit te waarborgen

De monocyten zijn gespecialiseerd in het opruimen van resten van dode lichaamscellen.

--------

T-lymfocyten hebben hun oorsprong in de thymus

B-lymfocyten hebben hun oorsprong in het beenmerg, de amandelen en de wand van het spijsverteringskanaal.

-------

De killer T-cellen elimineren afwijkende cellen. Cellen die besmet zijn, virussen, schimmels, cellen waar het DNA van aangetast is en tumoren worden door de killer T-cellen onherroepelijk gedood.

De T-geheugencellen worden bij elk contact met een antigeen (lichaamsvreemde stof) gemaakt, je zou kunnen zeggen zij vormen het archief waarin de laboratorium onderzoeken naar het antigeen worden opgeslagen. Bij een vervolgbesmetting volgt herkenning en kan onmiddellijk ingegrepen worden.

De T-helpercellen zorgen ervoor dat de B-lymfocyten geactiveerd worden en antilichamen gaan vormen.

De T-supressorcellen zorgen ervoor dat de B-lymfocyten stoppen met het produceren van antilichamen.

-------

Plasmacellen gaan nadat ze geprikkeld zijn door een lichaamsvreemde stof, antilichamen maken. Deze omvorming vindt voornamelijk plaats in de lymfeklieren, de milt en de wand van het spijsverteringskanaal. De antilichamen worden y-globulinen of immuunglobulinen (Ig) genoemd. Bij elk binnendringend antigeen wordt een specifiek antilichaam geproduceerd;

  • IgA zit vooral in neusslijm, speeksel, traanvocht en darmsap.
  • IgD hierover is nog weinig bekend.
  • IgE speelt een rol bij overgevoeligheidsreacties (allergieën).
  • IgM antilichaam tegen bacteriën en virussen.
  • IgG antilichaam tegen bacteriën en virussen. Kan als enigste antilichaam de placenta passeren.

B-geheugencellen hebben dezelfde functie als T-geheugencellen.